Marie Cornélie
van Wassenaer Obdam
(1799 - 1850)

 



[Het hieronder volgende vignet is geschreven door Aafke Brunt, archivaris van de Sticting Twickel, en is een voorproefje van het in het mei 2001 gepubliceerde gedenkboek]. Zie ook de link naar de volgende pagina van een amateurhistoricus (Marcel Tettero). En ook naar de volgende historisch toeristische pagina.

Marie Cornélie (Cornélie) Gravin van Wassenaer Obdam, vrouwe van Twickel, Weldam en Olidam, baandervrouwe van Wassenaar en Zuidwijk, vrijvrouwe van Lage, vrouwe van Dieren, Obdam, Spierdijk, Hensbroek, Zijpe, Wogmeer en Kernhem werd geboren te Amsterdam op 21 september 1799. Zij was de dochter van Jacob Unico Willem Graaf van Wassenaer Obdam (1769 - 1812) en zijn tweede echtgenote Margaretha Helena Alewijn (1776 - 1802). Zij zou de laatste zijn van de tak Van Wassenaer Obdam. Men vernoemde het meisje naar haar grootmoeder van moeders kant, Maria Cornelia Alewijn - van Loon. De verbondenheid met de Amsterdamse patriciërs die hierin tot uiting kwam, is van korte duur geweest. Margaretha Helena Alewijn overleed in 1802, waarna Cornélie's vader in 1808 hertrouwde met Sophia Wilhelmina Petronella (Sophia) Barones Van Heeckeren van Kell (1772 - 1847), afkomstig van huis Ruurlo. In de zomer van 1812 werd de Graaf Van Wassenaer Obdam ziek en op 26 augustus benoemde hij de voogden over zijn minderjarige dochter. Na zijn overlijden op 31 augustus kwam de opvoeding van Cornélie in handen van haar stiefmoeder, één van de vijf voogden. Zij zal er voor gezorgd hebben dat het meisje onder meer les kreeg in de Franse taal, godsdienstonderricht kreeg van de plaatselijke dominee, tekenlessen ontving van de architectuur- en landschapschilder Jean François Valois en in de periode 1822 tot 1840 piano speelde onder leiding van de niet onbekende componiste Gertrude van den Berg. Ondertussen waakte zij ook over de gezondheid van haar stiefdochter. Waarschijnlijk leed Cornélie aan een ernstige vorm van jicht, een familiekwaal. De ziekte ging gepaard met hevige pijnen in de gewrichten. Ook had ze hierdoor een lichte bochel. Verblijven in Duitse badplaatsen, in Zwiterserland en in het Zuiden van Frankrijk moesten hierin verlichting brengen. Het reizen is één van de constanten in Cornélie's leven geweest. Naast Twickel, dat veelal in de zomermaanden werd bewoond, woonde Cornélie ook in Den Haag en vanaf 1820 op het voor haar aangekochte Hof te Dieren, waar een 'moderne woning' werd gebouwd. In 1824 reisde Cornélie zelfs naar Rusland. Dit gebeurde door tussenkomst van haar stiefmoeder. De beide dames maakten deel uit van een gezelschap dat prinses Anna Paulowna begeleidde op een reis naar haar familie in Sint Petersburg. Cornélie heeft tijdens verschillende reizen een dagboek bijgehouden. Uit de aantekeningen over de reis naar Rusland blijkt haar enorme doorzettingsvermogen. Het gezelschap reisde vaak wel twintig uur achter elkaar over zeer slechte wegen. Tijdens het langdurige verblijf zelf volgden diners, wandelingen, rijtourtjes, bals en concerten elkaar in hoog tempo op. Na terugkeer in Nederland werd Sophia benoemd tot grootmeesteres van Anna Paulowna en Cornélie tot hofdame. Het hofleven nam een einde in 1831, het jaar waarin Cornélie ontslag vroeg 'om zich aan haar echtgenoot te kunnen wijden'. De bruidegom was de neef van haar stiefmoeder Jacob Derk Carel (Charles) Baron van Heeckeren van Kell (1809 - 1875), die juist in Leiden gepromoveerd was tot doctor in de rechten en als tweede luitenant had deelgenomen aan de tiendaagse veldtocht tegen de Belgen. Hij was tien jaar jonger. En terwijl Cornélie over uitgestrekte goederen en een enorm kapitaal beschikte, kwam hij met niets. Zijn erfdeel uit de goederen van de familie Van Heeckeren van Kell ging over naar zijn jongere broer Willem. Het echtpaar trouwde in gemeenschap van goederen, een voor de negentiende eeuwse adellijke kringen ongebruikelijke gang van zaken. De huwelijksinzegening vond plaats door de Deldense predikant die in zijn preek veel aandacht schonk aan de wederzijdse verplichtingen van de echtelieden. De echtgenoot moest zijn vrouw naar vermogen verstandig leiden, onderwijzen, troosten en beschermen. Voor Cornélie hanteerde hij de tekst: "Uwe man gehoorzamen, geen heerschappij gebruiken over Uwen man, onderdanig zijn, want dit is het bevel dat Gij met al uw vermogen volbrengen moet". Het zal duidelijk zijn dat het huwelijk, de voorwaarden en zelfs de preek uit de koker kwamen van de familie Van Heeckeren van Kell. In het college van voogden, waarvan Sophia deel uitmaakte, was ook haar broer Willem H.A.C. van Heeckeren van Kell benoemd. Charles was zijn oudste zoon. Na het overlijden in 1816 van Cornélie's grootmoeder Gravin Van Wassenaer Obdam - geboren Van Strijen die eveneens voogdes was, zette Van Heeckeren het college buitenspel door haar meerderjarigheid voor Cornélie aan te vragen. Al spoedig werd het verzoek ingewilligd en bij Koninklijk Besluit bekrachtigd. Stap voor stap werd Cornélie gewonnen voor de familie Van Heeckeren. In 1823 benoemde zij haar stiefmoeder tot haar enige en algemene erfgename. En in 1824 machtigde zij Willem van Heeckeren van Kell tot het waarnemen van al haar zaken. Deze bleef het beheer van haar effecten uitoefenen tot zijn dood in 1847. Toch werd het een goed huwelijk. Cornélie en Charles hebben zeker van elkaar gehouden, ook al waren er voor haar soms grote teleurstellingen. De basis voor hun verstandhouding zal gelegen hebben in hun gezamenlijke toewijding voor hun bezittingen, met name voor Twickel. Hier begon het echtpaar al kort na hun huwelijk met een renovatie van het park, waarvoor de hulp van de landschapsarchitect J.D. Zocher werd ingeroepen. In 1847 breidde de Engelse architect Robert Hesketh het huis Twickel uit met de aanbouw van een woontoren aan de noordzijde. Ook aan de inrichting van hun huizen werd veel aandacht besteed. Tijdens veelvuldige verblijven in Parijs voorzag het echtpaar zich van eigentijdse mode-artikelen als spiegels, aquarellen en bronzen en gipsen beelden, vaak copieën van bekende antieke beelden in het Louvre. Naast winkels bezocht men hier ook de theaters, musea en andere bezienswaardigheden. Cornélie nam hier na het overlijden van haar lerares Gertrude van den Bergh pianolessen bij de muziekdocent Henri Herz. En ook hier werden visite's aan bekenden afgelegd. Hoewel Charles en Cornélie verder verschillende taken hadden, toonden zij wederzijds belangstelling voor hun werkzaamheden en lieten zij elkaar in hun waarde. Cornélie richtte zich vooral op armenzorg en onderwijs en besteedde aandacht en zorg aan personeel en pachters. Dit deed zij voornamelijk uit godsdienstige overtuiging. Ook zocht zij hierin compensatie voor haar kinderloosheid, waarover zij zelf in een aantekening schreef: "die een beproefing gods (is) die niet al te zwaar valt, want daar wil ik daar tegenover stellen, al de voorregten die ik hier op mijn geliefde Twickel geniet, daar ik het liefst van alle verblijve: het nut dat ik hier stichten kan, door behoeftigen te ondersteunen, zieken te bezoeken". Zij ontving regelmatig gasten en bemoeide zich intensief met het huishouden. Vele kasboekjes met uitgaven voor de huishouding en schenkingen aan armen zijn van haar bewaard gebleven. Het domein van Charles omvatte het beheer van de landgoederen. Al had hij de schijn tegen, hij heeft de rijkdom van zijn vrouw niet gebruikt om deze te verbrassen. Integendeel, hij liet een groot aantal veranderingen doorvoeren die de economische basis van het grondbezit hebben verstevigd. De door de markeverdelingen vrij gekomen woeste gronden liet hij ontginnen. Boerderijen werden gebouwd of vernieuwd en ook liet hij nieuwe bossen aanplanten. Daarnaast bekleedde hij uiteenlopende functies als raadslid en vervolgens wethouder van de gemeente Ambt Delden, buitengewoon kamerheer van koning Willem I, lid van de Provinciale Staten van Overijssel en vervolgens lid van de Eerste Kamer. Met stiefmoeder Sophia die na Cornelie's huwelijk het huis in Dieren bewoonde, bleven intensieve contacten bestaan. Ook in deze periode bleef deze haar invloed uitoefenen. Toen Cornélie trouwde met Van Heeckeren van Kell had zij haar familienaam Van Heeckeren van Twickel graag willen wijzigen in Van Heeckeren van Wassenaer. Maar uit 'respect voor haar', zoals zij zelf schreef, wachtte zij hiermee tot het overlijden van haar stiefmoeder, de douarière Van Wassenaer Obdam, die de naamswijziging tegenhield. Deze tegenwerking heeft Cornélie ongetwijfeld veel pijn gedaan. Ondanks de inlijving in de familie Van Heeckeren bleef zij zich zeer verbonden voelen met het geslacht Van Wassenaer. Zo bekostigde zij een restauratie van het grafbeeld van luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer in de Grote Kerk in Den Haag en liet zij daarvan voor gebruik in eigen huis een verkleinde bronzen copie maken. Tijdens een thé-dansant aan het hof verzocht zij de koning de naam Van Wassenaer te verlenen aan een marineschip. Nadat zij in 1838 een testament had gemaakt, waarin ze haar man tot universeel erfgenaam benoemde, liet Cornélie in 1846 een nieuw testament opmaken. Daarin bepaalde zij dat haar man, als hij haar zou overleven, de goederen die afkomstig waren van haar over-overgrootvader de luitenant-admiraal Van Wassenaer Obdam, de bezittingen Wassenaar en Zuidwijk, Obdam, Wogmeer en Hensbroek en Kernhem bij Ede in Gelderland, zou moeten overdragen aan een lid van de familie Van Wassenaer. Daarnaast bestemde zij honderdvijftigduizend gulden voor de familie Van Wassenaer, "zijnde de somma waarvoor het huis mijns voorouders in 's Hage in het jaar 1816 is verkocht aan den toenmalige Koning der Nederlanden". Zij sloot de nieuwe wilsbeschikking af met de woorden "(...) door het nakomen van dit verlangen, zoude een mijner vurigste wenschen vervuld worden, en tevens naar mijn inzien ook een verpligting die op ons rust, ten aanzien van het aloude en edele Geslagt der Wassenaers; terwijl ik hierdoor geen onbillijkheid meen te begaan jegens de eventueele erfgenamen van mijnen Echtgenoot, wier deel nog ruim genoeg zal wezen". Dit laatste zag haar man heel anders. Hij bewoog hemel en aarde om de schikking ongedaan te maken. Cornélie, inschikkelijk als ze was, liet zich overtuigen en ging in 1849 opnieuw naar de notaris. Haar herroeping sprak in alle bondigheid boekdelen. "ik zie af van bovengenoemd verzoek", schreef ze onder het testament, "omdat ik heb bemerkt dat het mijnen man moeite zoude doen hetzelve te vervullen". Een jaar na de herziening van haar laatste wilsbeschikking overleed Cornélie op de leeftijd van vijftig jaar. Uit haar aantekeningen blijkt dat zij haar dood voelde naderen. Op 23 februari 1850 schreef zij als het ware het testament van haar leven. Hierin ligt het geheim van de acceptatie van haar levenslot besloten. Met haar 'geliefden echtgenoot' heeft zij steeds geprobeerd aan elkaars geestelijke behoeften te voldoen. Steeds heeft zij geprobeerd 'geheel tevreden te schijnen'. De negatieve kanten van haar leven heeft ze gezien als door God gezonden beproevingen "om te leeren, dat Godsdienstigen zin en overpeinzingen niet voldoende zijn, maar dat zij vruchten moeten voortbrengen van een gewillige ja blijmoedige onderwerping aan Gods wil". In maart 1850 werd Cornélie zo ernstig ziek dat er bij haar moest worden gewaakt. Na een week van hevige verkoudheid gepaard gaande met hevige hoestaanvallen en benauwdheid overleed zij. Haar echtgenoot was diep bedroefd. Hij ordende haar aantekeningen met religieuze overwegingen en bewaarde een lok van haar goudblonde haren, opdat "deze met mij in het Graf te Wassenaar in de kist gelegd worde". Dit is helaas niet gebeurd. In de 's Gravenhaagsche Nieuwsbode werd een korte necrologie geplaatst waarin Cornélie werd herdacht als de laatste afstammelinge van haar geslacht. Charles hertrouwde in 1852 met Isabella Antoinette Sloet van Toutenburg. In 1855 werd de oudste van hun drie kinderen geboren. Haar vader gaf haar de namen Maria Cornelia.

Aafke Brunt (Archivaris Stchting Twickel)

 

Literatuur: Brunt, A, 'Marie Cornélie van Wassenaer Obdam, 1799-1850 (I). Levensschets van een voorbeeldige vrouw', Twickelblad, (1999), no. 1, 3 - 4. Brunt, A., 'Marie Cornélie van Wassenaer Obdam, 1799 - 1850 (V). Tekenlessen, museumbezoeken en kunstaankopen' Twickelblad, (1999), no. 4, 8-11. Cleverens, R.W.A.M., Het huis Twickel en zijn bewoners. Een adellijke familiegeschiedenis (Oldenzaal/Alphen aan den Rijn 1981). Cleverens, R.W.A.M., Het geslacht Van Heeckeren, Van Heeckeren van Kell, Van Heeckeren van Wassenaer, Ruurlo, Bingerden, Twickel, Dieren, De Wiersse, Rhederoord (Middelburg 1988). Geurtse, R., 'Marie Cornélie van Wassenaer Obdam, 1799 - 1850 (IV). Het gezinsleven van een adellijke vrouw', Twickelblad, (1999), no. 4, 5-7. Geurtse, H.M., Het gezinsleven en de maatschappelijke rol van een edelvrouwe in de eerste helft van de negentiende eeuw: Marie Cornélie, gravin Van Wassenaer Obdam (1799 - 1850), vrouwe van Twickel, Doctoraalscriptie Open Universiteit Nederland 2000. Haverkate, J. e.a., Twickel bewoond en bewaard (Zwolle/Delden 1993). Thije, E.M. ten, Private muziekbeoefening in een 19de eeuw adellijk milieu. Cornélie van Wassenaer (1799 - 1850) en Isabelle Sloet (1823 - 1872). Met een catalogus van de 19de en 20ste eeuwse bladmuziek op het huis Twickel, provincie Overijssel. Doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Utrecht 1997. Thije, M. ten, 'Marie Cornélie van Wassenaer Obdam, 1799-1850 (II). Muziekbeoefening in een adellijk milieu', Twickelblad, (1999), no. 1, 5 - 6. Wassenaer, C. de, A visit to St. Petersburg 1824 - 1825, bewerkt door I. Vinogradoff (Norwich 1994). Wassenaer, C. van, 'Marie Cornélie van Wassenaer Obdam, 1799 - 1850 (III). Verslag van een bezoek aan Brussel in 1820', Twickelblad (1999), no. 2, 20 - 21. Zoete, S. de, 'Het linnengoed van Marie Cornélie gravin van Wassenaer Obdam (1799 - 1850)', Textielhistorische Bijdragen (1997), 174 - 193.