
’s Lands Oorlogsschip de ‘Prinses Carolina’ bevlagd ter ere van de Verjaardag van zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins Stadhouder op de rede van Malaga de achtste augustus 1757 gecommandeerd door de Hoogweledelen Heer Baron van Wassenaer, Schout bij Nacht van Holland en West-Friesland.
Begin 1755 was in Algiers een nieuwe Bey, Ali geheten, aan de macht gekomen, nadat de vorige Bey, die de Republiek welgezind was geweest, vermoord was.
Ali verklaarde de oorlog aan de Republiek, dan kon er immers weer jacht worden gemaakt op de koopvaarders. Er kon buit worden binnengehaald, schepen met hun rijke ladingen en de ongelukkige bemanning kon als slaven aan het werk gezet.

schilder: Jean Fournier (1700–1765)
Oktober 1755 besloten de Staten-Generaal een eskader van negen schepen naar de Middellandse Zee te sturen om de koopvaarders te beschermen. Willem van Wassenaer (1712–1783) werd als schout-bij-nacht met het commando daarvan belast.
Willem van Wassenaer was sinds 1747 in dienst van de Admiraliteit van de Maze te Rotterdam en daarom moest het vlaggenschip van de hele onderneming ook vanuit deze admiraliteit geleverd en uitgerust worden. Begin 1756 zouden ze uitvaren.
Het vlaggenschip moest een vijftigponder zijn en de schout-bij-nacht mocht van de vier schepen van de Maze die daarvoor in aanmerking kwamen zijn schip kiezen. Hij koos de Prinses Carolina, genoemd naar de dochter van stadhouder Willem IV.
De Prinses Carolina was al in 1747 opgeleverd door de beroemde Rotterdamse scheepswerf van de familie Van Zwijndrecht, maar het schip was nog nooit in de vaart genomen en was niet zeilklaar. Er moest nog veel aan gebeuren wilde het de zee op kunnen gaan. Leendert van Zwijndrecht kreeg de opdracht het schip in orde te maken, alles in goed overleg met de schout-bij-nacht. Hij mocht daartoe ook andere schepen ‘plunderen’. Er moest een kombuis worden gebouwd, beschotten aangebracht, een experimenteel luchtzuiveringssysteem gemaakt. Vanuit het kombuis zou via een buizenstelsel warme lucht worden aangevoerd.
Later had de opperchirurgijn daar geen goed woord voor over. Het werkte volgens hem nauwelijks.
Het schip werd bewapend met 22 bronzen achttienponders op het overloopdek en 22 bronzen twaalfponders op het voordek. Er moesten officieren, onderofficieren en manschappen worden geworven. Verder wilde Van Wassenaer drie adelborsten van ‘fatsoenlijke komaf’ om aan het schip te worden opgeleid. En hij wilde een echte dominee, in plaats van een ziekenverzorger die anders ook de geestelijke verzorging op zich nam.
Johannes van Zutphen werd predikant aan boord. Zondags moest deze de kerkdienst leiden en dan werden de gezagvoerders van alle schepen aan boord van de Prinses Carolina verwacht. De dominee schijnt dat tot volle tevredenheid te hebben gedaan.
Begin mei 1756 was eindelijk alles klaar: het schip en genoeg bemanning, die overigens niet zonder moeite gevonden was. Op het laatst had de schout-bij-nacht zelfs matrozen uit zijn land in Echteld in Gelderland moeten halen. Op 13 mei kon het eskader uitvaren vanuit de rede van Hellevoetsluis, richting Middellandse Zee. Begin juni kwamen ze in Malaga aan.
De schepen kruisten vandaar voor de oostkust van Spanje heen en weer, maar geen Algerijn liet zich zien.
Willem van Wassenaer schreef aan het college in Rotterdam dat zijn schip ‘gants niet de minste der zeilders was die hij bij zig had… het schip kwam zijn roer zeer wel na’ en was volgzaam in wenden en draaien. Het verlijerde wel erg, met name als het bijgedraaid was. Tijdens het varen in konvooi had het weinig zeil nodig om de andere schepen voor te blijven.
Wat speelde zich af aan boord?
Om de manschappen in goede conditie te houden organiseerde de schout-bij-nacht regelmatig wedstrijden. Daarbij ging eens tijdens het zeilen voor de Franse kust de grootbramsteng met zeil en al over boord en meteen daarna de fokkesteng. Vijf mannen kwamen in de zee terecht, vier verdronken en er waren drie zwaar gewonden. De stengen waren zeer oud en uitgedroogd geweest.
De discipline aan boord liet te wensen over. Regelmatig moesten er straffen worden uitgedeeld voor diefstal, dronkenschap en vechtpartijen. De straffen waren meestal ‘vallen van de ra in combinatie met afranselingen’. Op desertie stond de doodstraf.
Op 18 oktober 1756 werd aan boord van de Prinses Carolina krijgsraad gehouden, onder voorzitterschap van de schout-bij-nacht, waarbij een gedeserteerde matroos ter dood werd veroordeeld. De doodstraf werd op een ander schip uitgevoerd.
Een andere keer werd een matroos opgepakt omdat hij gestolen zou hebben. Voor de krijgsraad gebracht ontkende hij. De krijgsraad besloot dat de matroos gemarteld moest worden maar wel zodanig dat ‘er geen ongemak van komen kon’. Dat hielp, de matroos bekende.
Op 8 maart 1757 lag het eskader in Malaga. Het was de verjaardag van Willem V. Van Wassenaer verordonneerde dat alle schepen ter ere daarvan gepavoiseerd moesten worden en dat van ieder schip, te beginnen met de Prinses Carolina, 21 saluutschoten moesten worden afgevuurd en dat de matrozen ’s ochtends op de ra’s moesten joelen.
Een van de matrozen heeft het gepavoiseerde schip geschilderd en het doek aan de schout-bij-nacht gegeven.
In mei 1757 was aan boord van de Prinses Carolina een besmettelijke ziekte uitgebroken. 150 man werden ziek en 16 stierven. De schout-bij-nacht was zelf ook ziek geworden en moest het schip tijdelijk verlaten om in het toenmalige koninkrijk Valencia minerale baden te nemen.
In juli 1757 kreeg het eskader het bevel terug te keren naar het vaderland. De Bey had vrede gesloten.
Het is nooit tot oorlogshandelingen gekomen, zeer tot spijt van de schout-bij-nacht die zo graag ook enige heldendaden op zijn naam had willen zetten in navolging van de beroemde admiraals van zijn familie.
Op 9 oktober van dat jaar liet de Prinses Carolina het anker vallen op de rede van Hellevoetsluis.
Hierna is niet meer zoveel over de Prinses Carolina vernomen.
Van Wassenaer werd viceadmiraal en kreeg een ander schip om mee te varen, de Thetis.
Op 20 december 1780 verklaarden de Engelsen de oorlog aan de Republiek 1) en in 1781 viel de Prinses Carolina in hun handen *1).
*1 Vlot Ambitie en lust om wel te dienen: 58–127