
schilder: Pieter Nason (1611–1689)
Geertruyd Anna van Wassenaer 1659–1694
Geertruyd was de jongste dochter van Arent van Wassenaer en Anna Margaretha van Scherpenzeel. Zij was het enige en jongste zusje van de twee oudere broers Jacob (1649–1707) en Frederik Willem (1658–1703). Er waren nog vier andere kinderen geweest, drie jongens en een meisje maar die waren allen vroeg gestorven. Geertruyds moeder stierf toen zij drie jaar oud was. Haar oudste broer Jacob was tien jaar ouder dan zij en Frederik Willem maar een jaar ouder.
We weten niets van haar jeugd en kunnen slechts gissen dat het huwelijk van Jacob met de zestienjarige Jacoba van Liere in 1668, Geertruyd was toen negen jaar, een hele gebeurtenis voor haar geweest zal zijn. En wellicht heeft zij genoten van de kinderen, die in de volgende jaren in dat gezin werden geboren.
Jacoba’s broer, Willem van Liere van Oosterhout (1652–1706), na 1673 ook heer van de beide Catwijcken en het Sant, kwam veel in het grote gezin aan de Kneuterdijk
In 1681, zij was toen bijna 22 jaar oud, zijn die twee getrouwd. Zij trouwden in Oosterhout, waar het oorspronkelijke kasteel van de Van Lieres stond.
Door dit huwelijk werd Geertruyd vrouwe van de beide Catwijcken en het Sant. Willem bezat ook nog een huis aan het Lange Voorhout in Den Haag dat hij van zijn moeder had geërfd.
In de tijd van het huwelijk van Geertruyd en Willem leefde en werkte in Katwijk aan de Rijn een zekere predikant Adrianus Pars. Hij was ook historicus en werkte aan een boek over de geschiedenis van Katwijk. Dat boek kwam in 1697 uit en het was een prachtwerk met vele illustraties. Ds. Pars wist dat de Van Wassenaers eens heren van Catwijck waren geweest en hij was zeer verheugd over dit huwelijk.
Ter ere van het bruidspaar schreef hij het volgende gedicht:
‘So sterven en vergaan nooit Hollands Adeldommen,/ Als men die vest en schraagd op sulke stamkolommen,/ De Wassenaarse maan, met lelien besaaid,/ Dus noit als Heldenkroost, en halve Goden maid,/ Juigd Batavier en galmd, springt op met vreugdestappen,/ Wagt hier uit stof op stof tot Hollandse Ridderschappen’
anders
‘Als de Heer van Duvenvoord, Jacoba troude, en egte,/ Maakte hij haar Barones, en Rijnlands Dijkgravin,/ De een eer was de andere waard, en liefde, wel te regte/ Maakt Willem Geertruid weer der Katten landvoogdin’.1)
Het bruidspaar ging in het begin van hun huwelijk in het kasteel Oosterwijk wonen, waar hun eerste kind Maria Jacoba (1682–1718) geboren werd, die later met haar neef Jacob en Jacoba’s derde zoon Jan Gerrit van Wassenaer (1672–1723) zou trouwen.
Later woonden ze in de Hof van Catwijck, het huis dat Maria van Reigersberg op het Sant in Katwijk had laten bouwen.
Van daaruit konden zij met hun paarden door de duinen en langs het strand galopperen. Ze konden de ingekomen vissersboten bezoeken en controleren of de ‘hofvis’ wel goed werd geteld. Daar moeten ze in hun element zijn geweest. En zo hebben ze zich voor het nageslacht laten vastleggen. Na Maria Jacoba kwamen nog zeven andere kinderen. Zes daarvan stierven jong, alleen Willem, geboren in 1691, bleef leven en zou de nieuwe heer van Catwijck worden.
Geertruyd Anna stierf een maand na de geboorte van hun laatste kind in oktober 1694.
NOOT
1 Pars 1681