VAN WASSENAER EN KATWIJK

Detail uit D. Stoop, “Het bezoek van de heer van Katwijk, Willem II van Liere, en diens
vrouw, Anna van Wassenaer van Duyvenvoorde, aan het strand van Katwijk (1684).
Collectie Familiestichting van Wassenaer

Tussen Katwijk, of liever de beide Katwijken, en de Familie van Wassenaer bestaat een bijzondere band, die teruggaat tot 1339. In dat jaat werd Philips III van Wassenaer, burggraaf van Leiden, beleend met de ambachtsheerlijkheid Valkenburg-Leiden. Behalve het lagere bestuursgezag bevatte dit leen onder meer een jaarlijkse som uit de lente- en herfstboden, het jachtrecht, het veer- en visrecht en de tol op de Oude Rijn (de Familiestichting bezit nu nog een deel van de Oude Rijn), het windrecht en de dwangmolen, en de hofvis en het pondgeld van de zeeman. Het hofgeld, een belasting op de huizen te Katwijk aan de Rijn, ging niet over aan de heer van Wassenaer, maar werd als afzonderlijk leen uitgegeven en kwam in 1403 als geallodialiseerd recht aan Lysbeth van Assendelft. De hofvis was het recht op de beste vis van elke vangst en was oorspronkelijk bestemd voor de huishouding van de heer. Tegen het einde van de 14e eeuw werd deze prestatie in natura omgezet in een geldbedrag volgens een speciaal tarief voor de verschillende vissoorten.

Door het overlijden van Maria van Wassenaer in 1544 stierf de hoofdtak van de Van Wassenaers uit en vererfden de bezittingen aan het Zuidnederlandse geslacht De Ligne. Daar de graaf De Ligne tijdens de opstand trouw bleef aan de Spaanse koning werden zijn Hollandse goederen in 1581 door de Staten van het gewest in beslag genomen. Gedurende het twaalfjarig bestaand konden de De Lignes weer over de Wassenaerse erfenis beschikken, maar nadat de oorlog was hervat verkreeg de Prins van Oranje de administratie en de inkomsten van deze goederen als schadeloosstelling voor hetgeen zijn geslacht in de Zuidelijke Nederlanden was afgenomen.

Langs allerlei omwegen der vererving belandde de heerlijkheden tenslotte toch weer in het bezit van het geslacht Van Wassenaer, en wel van de tak Duivenvoorde. Jacoba Josina Isabelle van Wijhe, die de beide Katwijken en het Zand van haar Oom Willem van Liere III geërfd had, huwde in 1737 met Frederik Hendrik van Wassenaer. Sedertdien zijn de Katwijkse Heerlijkheden, tot op de dag van vandaag, overgegaan op de oudste van de oudste. De Heer van de beide Katwijken en het Zand mag achter de naam Van Wassenaer de naaam Van Catwijck voeren. De Heren van Katwijk dragen in hun wapen het wapen van Katwijk “zijnde van zilver beladen met een sautoir (kruis) van lazuur”. Zij worden begraven in het familiegraf, tegenwoordig naast de Katwijkse kerk, waar binnen het grafmonument van Rombout Verhulst (1660), rijksmonument, herinnert aan Willem van Liere en Maria van Reigersberg. Zij hebben nog het recht van kerkebank in de Katwijkse kerk.

Ontleend aan drs. G.J.W. de Jongh, “De archieven van de heren van de beide Katwijken en het Zand en van Valkenburg (1203-1927)”, scriptie 1958

het Wapen van Katwijk “zijnde van zilver beladen met een sautoir (kruis) van lazuur”
Geplaatst in Historie.